donderdag 19 januari 2012

Dood en Levend


Je overpeinzingen op papier zetten is een ding. Ze plaatsen op een andere plek die toegankelijk is voor andere ogen, zoals een weblog, is iets anders. De weblog kan verborgen blijven, ongezien en ongelezen. Maar als mensen het hebben gevonden dan kun je ook reacties verwachten. Met name op de op een laatste tekst die ik toevoegde, over Traag Tuinieren, ontving ik vrij veel reacties van verschillende kanten. Het was overwegend positief, men kon zich blijkbaar in de opvattingen over tuinieren van Felder Rushing wel vinden. Ik eindigde bij het schrijven van de tekst bewust met een citaat van Felder Rushing over een dode bremstruik die hij in zijn voortuin liet staan. Ik vooronderstelde dat dit voor veel mensen net een stap te ver zou zijn. De tuin een beetje zijn eigen gang laten gaan zouden mensen misschien nog accepteren, maar een dode struik of boom in hun tuin?
Mijn vooronderstelling bleek te kloppen, als mensen met een negatieve reactie kwamen (het was een minderheid), dan vielen ze steevast over die dode struik. 

Ik woonde al een tijdje in Betondorp, Amsterdam, toen ik daar na de grote renovatie van het dorp een woning met een tuin kreeg. Mijn eerste eigen tuin. Wat er aan planten en struiken had gestaan was door de werkzaamheden aan het pand ernstig beschadigd of verdwenen. Een oude Gouden Regen stond er nog en die deed het erg goed. Bij het opnieuw aanleggen van de tuin koos ik voor veel verschillende struiken, een lage heg en besloot ik de achtertuin voor een deel af te schermen met rieten platen. Het gaf mijn bonsai wat meer schaduw en mij een koel nisje om er af en toe een boek te lezen.
Op een zomerse dag zat ik daar verdiept in een boek. Ergens hoorde ik een geluid dat ik niet goed kon plaatsen. Een merel vloog van de rand van de rieten schutting om een framboos uit de tuin te pikken en die te voeren aan haar jong dat ook op de schutting zat. Natuurlijk dacht ik eerst dat het geluid door hen veroorzaakt werd. Maar nadat ze vertrokken waren hoorde ik het nog steeds. Een zacht soort geknars. Het bleek om insecten te gaan. Sommige insecten probeerden te nestelen in de holtes van de rietstengels, anderen knaagden stukjes van het riet af om het te gebruiken als nestmateriaal. Riet is zulk geschikt materiaal voor insecten omdat het onbewerkt is. Er zit geen olie of verf of ander spul op dat het duurzamer moet maken. Het is natuurlijk materiaal. Gemaakt van dode planten.

Een deel van het landgoed is overwoekerd door brem en braam. Op zulke plekken groeit er bijna niets anders meer.  Vooral de grote hoeveelheid brem is zorgelijk. Brem is vuurgevaarlijk. Perfect aanmaakhout, bij het kamperen hadden we zelfs in de regen al heel snel een knappend houtvuurtje gaande dankzij de brem. Bij een bosbrand zal de brem het vuur snel doen verspreiden en voldoende aanwakkeren om ook andere bomen in brand te krijgen. De bewoners van het dorp zouden bij zo’n bosbrand ook niet meer weg kunnen komen.
Alle reden dus om veel brem weg te halen. Veel, maar niet alles. Genoeg om het land veilig te maken, genoeg om andere planten en struiken een kans te geven, genoeg om op enkele plekken bomen te planten. De brem neemt ook een belangrijke plaats in op het land, het geeft beschutting aan de reeen, bijen en vlinders bezoeken de bloemen van de brem, de jonge scheuten van de brem zijn eetbaar en van de takken is een traditionele bezem te maken. Het is een mooie struik om te zien. Het vormt bij het ouder worden dikke grillig gevormde knoesten. Deze laten we hier en daar op het land liggen als natuurlijk kunstobject.

Wandelend door het bos is het telkens weer de vraag of een dode boom of struik weggehaald moet worden of kan blijven staan of liggen. Ook al gaat het goed met het bos, af en toe gaat er een boom dood. De boom kan geraakt worden door de bliksem of een storm kan hem doen afbreken. Het belangrijkste criterium dat we hanteren is eigenlijk veiligheid. Als een boom zodanig beschadigd is dat hij elk moment op het pad of op de werkplek kan vallen dan kunnen we niet anders dan de boom omzagen en weghalen. En als we hout voor de winter nodig hebben dan valt de keuze eerst op zo’n boom. Op dezelfde manier kijken we naar dode takken die nog in de bomen zitten. Zolang het geen direct gevaar oplevert laten we het rustig zitten.

Waarom we die dode bomen toch laten staan? Soms uit esthetisch oogpunt. Sommige dode bomen zijn door weer en wind zulke fraai gevormde sculpturen. Iedere keer dat je er langs loopt kijk je er van op.
Maar bovenal om een natuurlijke reden. De dood is een menselijk begrip. Een eindpunt. Er was even iets en nu is het weg. Tot hier en niet verder. Het is een kenmerk van de westerse cultuur om lineair te denken  De natuur kent dit niet. In de natuur is alles een eindeloos voortgaande levende kringloop. Wat wij zien als een dode boom is voor heel veel dieren een habitat, een voedselbron, een baken voor hun territorium, een uitkijkpost,  een schuilplaats. Er kunnen mossen, schimmels en planten in groeien. Tal van insecten waaronder solitaire bijen en vlinders nestelen er, halen er hun bouwmateriaal of voedsel vandaan. En hun aanwezigheid trekt weer vogels aan en kleine dieren.

Een tuin is niets anders dan een klein stukje natuur voor de deur. En natuurlijk hoort daar een dode struik of boom bij. Maar het mag ook een boomstronk zijn, of een stapel houtblokken. Van een blok onbewerkt hout kun je een bijenhuis maken door er wat gaten in te boren. Of bindt een bundel korte riet- en bamboestengels bijeen en hang het ergens in de tuin op – er zullen beslist bijen op af komen. Of plaats een rieten schutting of een rieten afdakje. Tuin aan de waterkant? Een flinke stapel stro trekt ringslangen aan.
En dan met een drankje en de voetjes op de bank kijken naar al het komen en gaan van alles dat kan kruipen, sluipen, lopen, springen, fladderen en vliegen.

Een beetje dood hout in je tuin doet je tuin helemaal opleven!

Tom Verhoeven
Auvergne, winter 2012

woensdag 18 januari 2012

Bracken


Bracken – Pteridium Aquilinum

De eerste keer dat ik over bracken hoorde spreken was door Alan Titchmarsh, de BBC –hovenier. Toen had ik slechts een terloopse belangstelling voor varens – soms zie je een enkel exemplaar op de vreemdste plekken in de stad, een dakgoot, bij een slooppandje, in de muur van een gracht. Het is een pioniersplant. Waar nog niets anders kan groeien daar grijpt de varen alvast zijn kans. Ik had er wat in de tuin staan. Aangeplant door een vorige bewoner. Zo kwam ik er achter dat varens ook woekeraars zijn. Zo zeer zelfs dat andere planten helemaal geen kans meer maken. Op een enkel viooltje na dan. Daar ging Alan Titchmarsh uitleg ook over, hoe de woekerende varen alle andere planten verstikte en op welke manier je van de bracken af kon komen.
Varens - Pteridium Aquilinum

De Engelse naam Bracken is ontleend aan het oud-Noors, de taal die de vikingen meebrachten naar Engeland. In Frankrijk staan de varens bekend als Grande Fougere of Fougere d’Aigle. In de middeleeuwen was het gewild materiaal en zo kostbaar dat men er de belastingen mee kon betalen. Varen werd gebruikt bij het maken van glas. Hier in de bergen hebben we nog steeds een paar glasblazerijen en zelfs een heus glasblazerijmuseum maar in vergelijk met de productie van glas in voorbije tijden stelt dat niet zoveel meer voor. Varens hebben de glasblazers niet meer nodig, ze stoken op gas. Verder werd varen als vloerbedekking van stallen gebruikt – het absorbeert vocht beter en isoleert beter dan stro. De net opkomende bladeren die nog in een krul gedraaid zitten beschouwde men als eetbaar. In Aziatische landen als Japan worden ze nog steeds als lekkernij geserveerd. Tegenwoordig weten we dat het verstandiger is deze jonge bladeren niet te eten, ze onttrekken Thiamine (vitamine B1) aan je lichaam, dat een vermindering van je geheugen als gevolg heeft  en regelmatig eten van de jonge scheuten kan zelfs leiden tot maagkanker.
eetbaar,maar niet gezond.

De varens horen eigenlijk meer thuis in laagland. Dat we hier toch enkele velden met varens hebben is het gevolg van menselijke activiteit. De velden zijn ontstaan door alle bomen te kappen. Sommige velden zullen misschien bedoeld zijn geweest voor het kweken van varens in een tijd dat er geld mee verdiend werd.  Daarna hebben er vooral schapen en geiten op de velden gestaan. Maar dat is inmiddels enkele decennia geleden en sindsdien zijn de varens alleenheersers op de velden – ook op velden die nooit voor hen bestemd waren.

Het is moeilijk om van de varens af te komen. Dit komt vooral door de wortels. De manier van wortelen van de varen wordt Rhizome genoemd. Het heeft een paar eigenschappen die maken dat varens het lang volhouden en telkens weer terug kunnen komen. De worteling is niet erg diep, maar de wortels van de verschillende varens grijpen zodanig in elkaar dat ze als een vilten kleed aan elkaar klitten. Omdat ze zo hecht aan elkaar wortelen krijgen andere planten nauwelijks een kans. Zijn de varens eenmaal volgroeid dan komt er geen licht meer op de grond en kunnen er geen kiemplanten meer opgroeien. De varen heeft dus geen concurrentie.
Slechts een paar dieren gebruiken dit hechte bos als schuilplek. Waaronder enkele vogels, een pad en de adder.

Het veld met varens in de brand steken, geen goed idee overigens midden in een bos, helpt niet. De wortels zullen onaangetast blijven en gewoon weer uitlopen.
Het veld omploegen helpt al evenmin, ook al worden de wortels van de varens beschadigd. Rhizome kun je in stukjes breken en weer planten. Er komt dan weer een gezonde plant uit te voorschijn. Voor wie even geen varens bij de hand heeft; ook gember heeft rhizome wortelstokken. Neem een gemberwortel, breek er een stukje van af en plant het. Er zal een gewone gemberplant uit groeien. 
Gember rhizome

Het is een manier van voortplanten die bij meer planten voortkomt. In feite is dan elke plant een kloon van de moederplant. Varen verspreidt zich echter ook door middel van sporen. En na het ploegen blijven die sporen op het veld achter. Deze kunnen zelfs na enkele jaren nog ontkiemen.
Het veld maaien helpt ook niet – ook dan blijven de wortels onaangetast.

Om van de varens af te komen is een combinatie van maaien en ploegen nodig. Vroeg in het jaar maaien – wij gebruiken een zeis en een bosmaaier – voorkomt dat de varens sporen gaan verspreiden. Zodra de varens weer de kop op steken is het nodig om opnieuw te maaien. Dan de bodem ploegen. Of zoals wij hebben gedaan, een paard op het veld zetten, de hoeven zullen de grond geleidelijk omwoelen en de wortels van de varens beschadigen. Gemiddeld duurt het dan zo’n drie jaar om van de varens af te komen.     

Een veld hebben we afgelopen jaar vrij gekregen van varens. Nog een paar velden te gaan…

Tom Verhoeven
Auvergne, winter 2012

Traag Tuinieren


Mensen hebben graag controle over hun leven en over hun omgeving. Dat is goed te zien aan de manier waarop tuinen worden aangelegd en onderhouden. Bij het aanleggen van een tuin wordt menigmaal eerst alles verwijderd. In de kaalslag die dan overblijft word alles egaal gemaakt en vervolgens wordt de grasmat neergelegd (als je een tuin hebt moet je een grasmat hebben!), dan volgen de voorgevormde struikjes en wat kleine boompjes. Een strakke heg vormt een afscheiding met de buren en voor het huis komt een keurig wit hekwerk. Enkele kabouters en natuurlijk de barbecue, een parasol, een tuinbank en de tuin is nagenoeg compleet. Verder is het een kwestie van twee keer per week maaien, want we willen een korte dichte grasmat. Gras aanharken om gras en gevallen bladeren te verwijderen, grasmat harken met de verticuteerhar om mos te verwijderen, gaten prikken in de grasmat om het te ontluchten, vallen plaatsen om de onder de grasmat gravende mollen te vangen. De heg moet een paar keer per jaar gesnoeid worden om hem mooi strak te houden (vooral niet te breed en niet te hoog laten groeien!), de rozen moeten terug gesnoeid worden op niet meer dan drie uitlopers, de bolvormige buxus moet goed rond gehouden worden, er moet gif gestrooid worden om van dat mierennest af te komen en korrels gehaald worden tegen de slakken. En dan hebben we nog kunstmest nodig dat beslist niet verspreid kan worden zonder een speciaal daarvoor ontworpen karretje. En dat moet allemaal gedaan worden in het toch al zo overvolle weekend. Het heeft verdacht veel weg van werk, met dezelfde tijdsdruk en stress die we ook in onze dagelijkse werk ervaren.


De amerikaanse hovenier en tuinontwerper Felder Rushing heeft een andere benadering die hij de naam Traag Tuinieren (Slow Gardening) heeft gegeven. De naam verwijst naar een methode van koken die bekendheid heeft gekregen als Slow Cooking.  In deze traditionele benadering van het koken wordt er uitsluitend met lokaal gekweekte groenten en fruit gewerkt, vrij van pesticiden en kunstmest. Vaak wordt er ook gebruik gemaakt van oude rassen. Het belangrijkste is dat de groente en het fruit geur en smaak hebben – iets dat in kassen en bij gebruik van kunstmest vaak verloren gaat.


Felder Rushing benadert de tuin op een soortgelijke wijze. Hij heeft zich daarbij ook door de Gestalt-theorie laten inspireren, dat op zijn beurt weer veel gelijkenis vertoont met Zen en Taoisme. De beleving van de tuin is daarbij belangrijker dan het eindresultaat. Tuinieren gaat over ontspanning en genieten en niet over inspanning en werk – dit is een kernprincipe volgens Felder Rushing. En het gaat over het waarderen van wat er groeit in de tuin. Soms komt er onbedoeld spontaan ergens een plantje op dat ideaal is voor die plek. Men moet dan niet meteen klaar staan met de schoffel. Vaak beseffen mensen niet wat ze weghalen en plaatsen planten in de tuin die er op die plek of die grondsoort helemaal niet thuis horen. Daarom moeten we leren bewust te zijn van hoe men iets doet en wat de gevolgen kunnen zijn van wat men doet.
Andere herkenbare aspecten van Traag Tuinieren zijn: 
  •  de tuinder is autonoom, hij maakt deel uit van de tuin.
  • de gevoeligheid, integriteit en creativiteit van de tuinder wordt gerespecteerd.
  • zelfbewustzijn wordt benadrukt.
  • op ervaring gebaseerde manier van tuinieren (al doende leert men).
Een journalist bezocht de tuin van Felder Rushing en het eerste dat hem opviel was dat er enkele dode bremstruiken in de voortuin stonden. “Die haal je zeker weg” vroeg hij aan Felder Rushing. Deze antwoordde; “Vroeger zou ik die zeker hebben weggehaald! Tegenwoordig denk ik; bruin is ook een kleur…"


Tom Verhoeven
Auvergne winter 2012

woensdag 11 januari 2012

Kolkende beken


Toen de Romeinen deze bergen introkken volgden ze de rivier de Besbre. Dit lijkt ook de meest verstandige keuze – de rivier geeft de manschappen en hun dieren water en in de zomer verkoeling. Langs de rivier is er voldoende grasland te vinden voor de paarden en het vee. Bovendien stroomt de rivier al meanderend naar het Noorden, hier kan men niet verdwalen.
Toch hadden de Romeinse legioenen strikte orders niet langs een rivier te trekken. Beter was het om een pad te kiezen of aan te leggen dat hoger gelegen was. Vermoedelijk hielden de Averni zich al langer aan die regel, veel van de echt oude Keltische paden zijn nog steeds terug te vinden en ze lopen wel evenwijdig met een rivier, maar er nooit langs. Eigenlijk kun je in dit jaargetijde pas goed zien waarom de Romeinen zich aan die regel hielden. Door de regen veranderen de rustig kabbelende beken in snel kolkende watermassa’s. De grote hoeveelheid water maakt dat de rivieren meer ruimte nodig hebben. De rivieren raken overvoerd en verspreiden hun water over een alsmaar breder gebied. De overstromingen zijn niet altijd zichtbaar, pas wanneer je dichterbij de rivier probeert te komen merk je dat de grond zo drassig is dat je er in wegzakt tot je knieen. Een moderne four-wheel-drive zou hier niet eens doorheen komen, laat staan een Romeinse ossenwagen of strijdwagen.  Het hoger gelegen pad is echter nog steeds goed begaanbaar.

In Nederland zijn de waterstanden op veel plaatsen erg hoog. Het is een trend van de laatste jaren. Er valt meer regen in Nederland, maar ook in de omliggende landen waar de grote rivieren gevoed worden door kleinere beken en rivieren. En al dat water komt naar Nederland. Nu zou je verwachten dat Nederland, een delta-land met zoveel ervaring met wateroverlast, in de zomer flink gewerkt heeft om de dijken te verhogen en te versterken. Dit blijkt niet het geval. Op tal van plaatsen dreigen dijken het te begeven. Op een enkele plek heeft het water de dijken al doorbroken. Ad hoc worden nu oplossingen gezocht, bijvoorbeeld door het plaatsen van zandzakken bij de dijken en bij de huizen. Ad hoc oplossingen zijn typerend voor het moderne management. Bewoners zijn vergeefs  in de weer met plastic om hun spulletjes nog enigszins droog te houden. En boeren zoeken het hoger op, waarbij ze hun vee achterlaten (ondenkbaar in de tijd van de Romeinen en Averni), wetend dat mocht het verdrinken, de overheid toch wel met vergoedingen over de brug komt.

En dan blijken er mensen in Nederland te zijn die hun huis in de uiterwaarden hebben laten bouwen. In ieder opzicht de slechts denkbare plek om te bouwen. Er is elke winter kans dat de uiterwaarden vol lopen met water. En met een hoge waterstand is het helemaal niet te vermijden. De bewoners zouden dit dus van tevoren kunnen weten, maar ze reageren verbaasd en zelf gefrustreerd. Er worden klachten door hen ingediend en men eist een schadevergoeding.

Soms kan ik me niet van de indruk losmaken dat de Romeinen en Averni het beter aanpakten en beter begrepen. Ergens in onze moderne tijd zijn we iets kwijt geraakt; zoiets als ons alledaagse gezond verstand.

Tom Verhoeven

Auvergne, winter 2012      

woensdag 21 december 2011

Het web van Indra


Voor de westerse filosoof eindigt het denken bij de Bosporus. Al het denken dat van de andere oever komt is voor hem niet relevant, de westerse filosoof weet er niets van en wil er ook niets van weten. Zodra je een filosofische term als Indra’s web laat vallen duikt de westerse filosoof in zijn europees-angelsaksische koffer en trekt de deksel stevig dicht. Hij is als Terence White’s uil Archimedes die bij het zien van een vreemde uitroept; “er is geen uil”.
Toch is dat jammer want het denken van filosofen uit de oudheid van landen als bijvoorbeeld India en China is niet alleen belangwekkend en boeiend, er zijn onderwerpen waar men zich in het oosten al eerder of langer hebben verdiept en het meenemen van hun argumenten voorkomt vaak dat je in filosofische valkuilen terecht komt.

De Nederlandse filosoof  Bas Haring houdt zich sinds enige tijd bezig met vragen over de waarde en betekenis van biodiversiteit. Centrale vraag lijkt te zijn;  “Is een soortenrijke natuur per se beter dan een natuur met minder soorten?” In een van zijn columns geeft hij als voorbeeld het lieveheersbeestje. Hij beschrijft hoe er vele verschillende lieveheersbeestjes zijn, met verschillende kleuren, met meer of met minder stippen. Die verschillende lieveheersbeestjes planten zich alleen voort met lieveheersbeestjes die dezelfde kleur of dezelfde aantal stippen hebben. Vandaar dat we in de biologie spreken van soorten lieveheersbeestjes – het ene soort mengt zich niet met het andere. Ter bestrijding van voor de tuinbouw schadelijke insecten is er een Aziatisch  lieveheersbeestje geimporteerd dat nu juist als eigenschap heeft dat het in verschillende kleuren en verschillende aantallen stippen voor komt. Toch gaat het in al zijn verschijningsvormen om een soort.
En de vraag die Bas Haring stelt is dan: “Wat heeft u liever, zes verschillende typen lieveheersbeestjes die onderling nauwelijks te onderscheiden zijn maar die geen vruchtbaar nageslacht van elkaar kunnen krijgen; of lieveheersbeestjes die er allemaal heel verschillend uit zien en die onderling wel nageslacht kunnen krijgen?

In zijn column benadrukt hij dat het voor hem zeker niet vanzelfsprekend is om te kiezen voor de grootste verscheidenheid van soorten. Soms vind hij minder soorten, biosaaiheid zoals hij dat noemt, mooi genoeg.

De vraagstelling is echt van deze tijd en typerend voor deze consumentenmaatschappij. Het klinkt alsof je moet kiezen tussen zes verschillende wasmiddelen, zes verschillende jeans, zes verschillende parapluies, zes verschillende stofzuigers. Als een van die merken wasmiddelen of jeans of welk product ook zou verdwijnen dan merkt de consument daar nauwelijks iets van. Hele supermarktketens kunnen verdwijnen zonder dat de consument daar het effect van voelt.
Als je op dezelfde manier kijkt naar de natuur dan is het niet zo vreemd om je af te vragen of je al die soorten wel op dezelfde manier moet waarderen. Wat maakt het uit als je een type lieveheersbeestje kwijt raakt. Zelfs als je drie soorten kwijt raakt dan hou je nog de helft over. Dat moet toch genoeg zijn voor de consument, de natuurliefhebber, de filosoof? En laten we nou wel wezen; hoe vaak komen wij als stadsbewoner of zelfs als Nederlandse plattelandsbewoner nou nog een lieveheersbeestje tegen? En wie mist ze eigenlijk?

De vraagstelling leidt tot de verkeerde discussie en dat is al te merken aan de reacties op de column op de weblog van Bas Haring. Men komt met al dan niet geldige argumenten waarom het beter of verstandiger is om voor de ene soort te kiezen of voor de andere.
Dat komt al door de vraagstelling zelf. Een van de traditionele taken van de filosoof is het zorgvuldig formuleren van de vraag. Hier is de vraag zo geformuleerd dat er een vrijblijvende keuze tussen soorten gemaakt kan worden. Vragen naar de relevantie van een soort lijkt dan niet meer dan logisch. En als een soort relevanter is dan een andere, misschien omdat die nuttiger zou zijn, dan is de keuze gauw gemaakt.      

Dat er toch wat meer aan de hand is valt op als we de vraag herformuleren; “Wat heeft u liever; we verliezen zes inheemse soorten lieveheersbeestjes of we verliezen een niet-inheems soort lieveheersbeestje dat eigenlijk thuishoort in Azie”. Zelfs met weinig kennis van de natuur voel je hier al aan dat de keuze die je maakt wel eens meer consequenties kon hebben dan je aanvankelijk dacht.

Ik veronderstel dat Bas Haring het heeft over zes soorten lieveheersbeestjes om de vraagstelling eenvoudig te houden. In werkelijkheid telt Nederland zo’n zeventig soorten lieveheersbeestjes, waaronder het inmiddels verwilderde Aziatische lieveheersbeestje. Waarom zijn er zoveel verschillende soorten lieveheersbeestjes? Omdat de natuur door middel van evolutie tegemoet komt aan even zovele verschillende situaties. Het gaat niet om zeventig soorten die een en hetzelfde ding doen op een en dezelfde plek. Veel van de soorten lieveheersbeestjes leven van luizen, maar ze leven niet allemaal van dezelfde soort luis. Ze hebben ook niet allemaal dezelfde habitat, sommige verblijven liever in loofbomen, andere juist in naaldbomen. Sommige soorten leven niet van luizen, maar van planten of van schimmels. Het laten verdwijnen van een soort lieveheersbeestje kan bijvoorbeeld bij een bepaalde boomsoort al leiden tot een plaag aan bladluizen terwijl een andere boomsoort er geen hinder van ondervindt. Maar het introduceren van een nieuwe soort blijft ook zelden zonder gevolgen.

De natuur bevindt zich in een niet aflatende staat van flux, alles is in beweging, alles verandert voortdurend. Maar in die voortgaande beweging is ook een zeker evenwicht te bemerken. Er is een zekere samenhang terug te vinden in de natuur (het web van Indra). Het ingrijpen van de mens op de natuur draait niet om het laten verdwijnen van een of meer soorten (of, net zo erg, het introduceren van soorten). De discussie zou ook niet moeten zijn of we tien of honderd of tienduizend soorten wel of niet zouden kunnen missen. Het gaat niet om een kaartenbak met naambordjes waarvan je er naar willekeur af en toe wat van weg gooit. Het gaat om de inbreuk die we maken als soort op de samenhang en het evenwicht in de natuur. Biodiversiteit (verscheidenheid aan soorten) is dan ook geen doel op zich. Biodiversiteit vertelt vaak wel veel over de gezondheid van een natuurlijke omgeving. Hoe eenzijdiger de soorten die zich in een omgeving bevinden hoe kwetsbaarder die omgeving veelal is. En hoe minder leven er in mogelijk is.

Voor alle duidelijkheid; eenzijdigheid is hier niet het tegenovergestelde van “meer soorten” of  van “zo veel mogelijk soorten”. Het gaat om de samenhang. Een weiland met dertig soorten bloemen en grassen is niet per se gezonder dan een weiland met twintig soorten. Een weiland met alleen maar raaigras noemen we een voetbalveld – het is ongezond voor je paard om hem daar te laten grazen. En het zal altijd een kwetsbaar weiland blijven.

Mensen lijken al heel lang een voorkeur te hebben voor eenzijdigheid in hun natuurlijke leefomgeving en een afkeer tegen de veelzijdigheid van de “wilde” natuur. Misschien dat daarom het belang van het behoud van natuurgebieden  niet altijd onderkend wordt en de noodzaak van biodiversiteit zo vaak ter discussie wordt gesteld.

Een veel fundamentelere filosofische vraag is of de mens het recht heeft om een keuze te maken tussen de ene soort en de andere. De mens eigent zich dat recht wel voortdurend toe. En dat al eeuwenlang.

Nou nog een bioloog zien te vinden die Bas Haring uitlegt waarom hij zijn eendjes geen brood moet voeren. 

Volkskrant, zaterdag 17 december 2011; column: Is denken in soorten de nieuwe religie?


Tom Verhoeven

Auvergne, winter 2011  

Voor een appel en een bij

De moderne samenleving is een consumenten-maatschappij geworden. Kwantiteit is belangrijker dan kwaliteit – iets dat merkbaar is aan de manier waarop mensen kiezen voor vlees, groenten en fruit. Voor dezelfde prijs kopen we liever een kilo waterige tomaten uit de kas dan een pond smakelijke tomaten uit de volle grond. Grote aardbeien zijn populairder dan kleine aardbeien, ook al hebben kleine aardbeien veel meer smaak. Groot lijkt meer en is dus beter, menen we. Naamsbekendheid is belangrijker dan kwantiteit. Ook hier speelt kwaliteit nauwelijks een rol. Hoe meer mensen een product kennen van naam, hoe beter het moet zijn is hier de gedachte. Zo veel mensen kunnen zich toch niet vergissen? En dus besteden bedrijven veel geld en tijd in het promoten van hun produkt.
Momenteel zijn er appels te koop die een gepatenteerde merknaam hebben. Ze hebben een erg stevige, maar weinig smakelijke schil die het mogelijk maakt de appels machinaal te oogsten. Ze hebben geen uitgesproken smaak, niet echt zoet, zeker niet zuur, ze zijn waterig, maar dat wordt aanbevolen als sappig en ze zijn eigenlijk te hard, maar dat noemen ze stevig. Ze halen het niet bij de klassieke appelrassen. Toch zijn mensen bereid om tien keer de gewone prijs van appels er voor neer te leggen. Want het is nieuw en de naam klinkt Japans of Frans of als iets uit die ene beroemde film. Of anders koopt men het wel omdat Lady GaGa er ook altijd eentje in haar handtas heeft. In werkelijkheid is het allemaal marketing, een verkooppraatje verzonnen door enkele mensen achter een bureau. Vroeger had je standwerkers op de markt die je allerlei rommel probeerden aan te smeren. Hun mooie praatjes waren zelfverzonnen onzin en je wist dat je bedonderd werd, maar je kon het niet laten om af en toe toch iets van hen te kopen. Tegenwoordig willen mensen niet eens meer weten dat ze bedonderd worden, ze geloven alles wat hen verteld wordt over het product.
Van zichzelf hebben mensen het idee dat ze een kritische consument zijn. Zij beslissen zelf wel of ze kiezen voor product x of voor product y. In werkelijkheid is ook dat marketing. Er zit voor de producent of voor de verkoper hoegenaamd geen verschil tussen een meegaande of een kritische consument. Het zijn allebei consumenten. En het is de producent die bepaalt uit welke producten de consument kan kiezen.

Zeker waar het voedsel betreft weten veel mensen niet waar het vandaan komt, waar en onder welke omstandigheden het groeit en hoe het gegroeid is.

Laten we bijvoorbeeld  eens een kijkje nemen bij de appelbomen waar die nu zo populaire appels met een merknaam vandaan komen. Vroeger werden appels vooral voortgebracht door hoogstam appelbomen. Grote wijdvertakte appelbomen die aan het eind van de zomer veel prachtige appels voortbrachten. Hier in de Auvergne kom je ze nog volop tegen. Om de appels te kunnen oogsten zul je moeten wachten tot ze naar beneden vallen of je zult met een ladder de boom in moeten klimmen. Er zijn vele, vele soorten appels (waarvan je er tegenwoordig hooguit drie of vier van in de supermarkt terug vindt) en afhankelijk van het ras gebruik je ze of om mee te koken (appeltaart, appelmoes, appelpannekoek, appeldesserts, appels voor in allerlei gerechten bij het diner), of als handappel. Niet alle soorten handappels kun je meteen eten, sommige moeten eerst weken tot zelfs maanden liggen rijpen op de appelzolder.
In Nederland zijn de hoogstam appelbomen decennia geleden al gekapt. Ten koste van een fraai oud-hollands landschap moesten ze plaats maken voor laagstam appelbomen waar tractoren met een oogstmachine tussendoor moesten kunnen rijden. Het duurt een jaar of vijf, zes eer deze jonge pasgeente appelbomen appels beginnen voort te brengen. Vijftien jaar later zijn ze al weer over hun hoogste productiewaarde heen en worden ze gekapt om plaats te maken voor nieuwe pas ontwikkelde appelrassen.

Voor de bestuiving van de appelbloesem zijn bijen nodig. Imkers wordt gevraagd om hun bijenkasten tussen de appelbomen te plaatsen. In elke kast leven zo’n 50.000 bijen en in de boomgaard worden meerdere kasten geplaatst. Geen enkele bloem wordt door de bijen overgeslagen en dat verzekert de kweker, mits de weersomstandigheden verder goed blijven, van een goede oogst . Zonder de bijen worden de bloemen weinig tot nauwelijks bestoven en dat zou in de praktijk betekenen dat de appeloogst aan het eind van de zomer veel te klein zou.

Het probleem waar de imkers in de afgelopen tien jaar in groeiende mate mee geconfronteerd worden is dat een deel van hun bijenvolken ondanks alle zorg gedurende de winter verloren gaat. Sterker nog, bij het openen van hun kast na de winter blijkt vaak dat alle bijen verdwenen zijn. Er is nog steeds veel discussie gaande over wat de oorzaak is van deze vreemde “verdwijnziekte” zoals het is gaan heten. De varaomijt is een  parasiet die veel schade aanricht en ook de ziekte nozema heeft ernstige gevolgen voor de bijenvolken. Beide zijn door mensen geintroduceerd vanuit warmere klimaten en beide verzwakken het bijenvolk. Maar er zijn steeds meer aanwijzingen dat de nieuwe landbouwgiften die bedoeld zijn om insecten te verdelgen ook de honingbijen vergiftigd (en de hommels, de solitaire bijen, libellen, vliegen, vlinders, etc). Het gaat om insecticiden die in veel landen verboden zijn, maar in Nederland nog steeds toegestaan zijn en volop gebruikt worden..

Het is een wereldwijd probleem. Elk jaar verdwijnen er nu zoveel bijenvolken dat gevreesd wordt voor het uitsterven van de honingbij. In een deel van China, bekend om zijn perenbomen, is het inmiddels al zover. Het bestuiven van de perenbloesem wordt daar nu gedaan door mensen met een donsveertje.

Toen aan de minister van Landbouw en aan de secretaris van Landbouw dit probleem werd voorgelegd deed men er heel makkelijk over. Als er geen honingbijen meer zijn dan wordt het bestuiven gewoon overgenomen door andere insecten.
Andere insecten? Welke andere insecten heeft de minister dan in gedachten? Gewoon, vlinders. En wilde bijen.
De wilde honingbij is in Nederland allang uitgestorven. Haar nazaten zitten in de bijenkasten van de imkers en daar gaat het dus niet zo best mee. Maar er zijn ook nog wilde, solitaire bijen. Zij vormen geen volk, maar leven alleen. Zou de minister nu denken dat het werk van 50.000 honingbijen ook door een solitair levende wilde bij gedaan kan worden? Of denkt de minister dat er in een boomgaard net zoveel solitaire bijen als honingbijen rondzoemen?

In Nederland hadden we meer dan 340 soorten wilde bijen. Hadden. Ruim 60 % is inmiddels uitgestorven of nagenoeg uitgestorven. Vooral dankzij het overmatig gebruik van landbouwgif, de toenemende bebouwing, het kappen van oude bomen, een almaar afnemende diversiteit aan planten, het maaien van bermen en het keurig netjes wieden van de voor- en achtertuin. 

Sommige wilde bijen (metselbijen) leefden in de oude hoogstamboomgaarden. Zij vonden er in de oude bomen hun nesten om er eieren te leggen of overwinterden er. Met het kappen van de oude appelbomen verdwenen ook deze bijen. In jonge appelbomen zijn geen nestplekken voor hen te vinden.

Veel van deze wilde bijen zijn specialisten – ze beperken zich tot een bepaalde bloem of tot een bepaalde soort. De klokjesbij vliegt zoals de naam al aangeeft alleen op het inheemse klokje (campanula), de bij zal eerder verhongeren dan dat hij nectar gaat halen bij appelbloesem. Er zijn ook bijen die alleen vliegen op composieten zoals de margriet. Ook deze bijen zullen dus nooit de bloesem (geen composiet) van appelbomen bestuiven.

Vlinders zijn natuurlijk ook goede bestuivers. Maar zij kampen met vergelijkbare problemen als de wilde bij. Door dezelfde oorzaken zijn we in Nederland ook een belangrijk deel van onze vlinders kwijtgeraakt. En ook de vlinder kent vele specialisten die hoe dan ook niet op appelbomen vliegen.

Dan is er nog een ander klein detail.
De honingbij vliegt al vroeg in het jaar uit. Meestal in maart, maar bij een beetje mooi weer kan dat al in februari gebeuren. De honingbijen vliegen dan uit voor hun reinigingsvlucht en gaan op zoek naar crocussen en andere vroege bloeiers.
Veel van de wilde bijen worden pas actief in juni.
De appelbomen staan echter in bloei in april – begin mei.
Als bewindslieden het hebben over insecten die het bestuiven van bloemen van de honingbij kunnen overnemen, over welke insecten hebben ze het dan precies?   

Tom Verhoeven
Auvergne, herfst 2011

dinsdag 1 november 2011

Mu Ri


Homo Sapiens Non Urinat In Ventum staat op een poort op het Leidseplein in Amsterdam te lezen. Het klinkt als een verstandige opmerking, maar het kan nauwelijks als een advies bedoeld zijn; wie is er nu zo dwaas om tegen de wind in te urineren?

In het Nederlands hebben we er geen specifiek woord voor, maar in het Japans wordt een handeling die niet verstandig is, of misschien beter gezegd niet logisch is, niet in overeenstemming is met de natuur “Muri” genoemd. Het begrip Muri is op te delen in twee karakters, het eerste karakter betreft een ontkenning en kan vertaald worden met “niet” of “geen”, het tweede karakter laat zich vertalen met principe of wet (natuurwet) en is vergelijkbaar met het oud-griekse begrip Logos. Als geheel is Muri dus te vertalen met  “geen principe” of “het ontbreken van het principe” of “niet logisch”.  


De Nederlandse filosoof Spinoza stelde dat de mens en de menselijke geest een deel van de natuur waren en dientengevolge diende de mens te handelen in overeenstemming met de orde van de natuur.
Dit idee doet sterk denken aan de Confucianistische en Taoistische opvatting dat men om zowel ethisch als esthetish juist te kunnen leven men er naar moet streven te handelen in overeenstemming met de natuur en de natuurlijke principes (Ri). Pas indien men er in slaagt om in overeenstemming met de natuur te leven is men werkelijk vrij.

Ambachtslieden zullen dit principe als vanzelfsprekend ervaren. Iedereen die met een stuk gereedschap leert om gaan weet dat er een goede manier is en een slechte manier is om er mee om te gaan. Denk bijvoorbeeld aan het schaven van hout – het eerste wat je leert is dat je met de nerf van het hout mee schaaft en niet er tegen in. Of aan het gebruik van een hamer – men houdt de hamer zoveel mogelijk bij het uiteinde van de steel beet om voldoende slagkracht te krijgen. Vasthouden bij de hamerkop betekent dat men meer moeite moet doen voor meestal veel minder resultaat. Het leren van een ambacht houdt voor een belangrijk deel in dat je als leerling inzicht gaat krijgen in het verschil tussen Muri en  Ri, de juiste toepassing van gereedschap en materiaal.

Op een zomerse dag zaten we op een lokaal terrasje wat te drinken toen we enkele sportief geklede gespierde jongemannen uit het restaurant zagen komen. De eigenaar beschikte over een houtoven die aan de buitenkant van het restaurant gebruikt werd als barbecue. Achter het restaurant had hij een flinke stapel hout liggen. De stukken hout waren echter te groot om te gebruiken en hij had deze heren bereid gevonden het hout in tweeen te zagen. We keken toe hoe de jongemannen zonder veiligheidskleding en met hun oude kettingzagen zonder de tegenwoordig vereiste  beveiligingsmechanismen bovenop de stapel klommen. Met hun ruggen naar elkaar toegekeerd begonnen ze enthousiast het hout onder zich in twee stukken te zagen. Een goed voorbeeld van Muri en leuk materiaal voor een ouderwetse slapstick film. 

Mijn vader werkte ooit mee aan een opleiding voor havenwerkers. Hij kwam met het volgende voorbeeld; er ligt een schip in de haven dat gelost moet worden, waar moet de touwladder worden opgehangen? Het was een voorbeeld uit de praktijk, hij had menige jongeman die net begon in het vak deze opdracht gegeven. Het heeft hem altijd verbaasd dat de nieuwkomers vrijwel zonder uitzondering de touwladder aan de voorplecht hingen. Zou men voor die plek uit een esthetisch gevoel kiezen? Het is in ieder geval niet de meest logische plek. Terwijl er steeds meer goederen uit het schip gelost worden zal het schip omhoog komen. Omdat de touwladder aan de voorzijde van het schip hangt en de voorplecht enigszins uitsteekt kan de touwladder nu alle kanten opzwaaien, draaien en tollen. En dat maakt het voor  iemand die het schip op of af wil bijzonder moeilijk en zwaar om de touwladder te beklimmen.
De paar beginners die niet gingen voor de voorplecht, hingen de touwladder aan het achtersteven. Hetgeen nauwelijks een verbetering genoemd kan worden.
Na mijn vaders uitleg dat het verstandiger was om de touwladder aan de zijkant van het schip te hangen, waar de wanden van het schip vrij recht waren en de touwladder dus stil zou blijven hangen, waren er altijd nog beginners die kans zagen om de touwladder zodanig langs de zijkant neer te laten dat deze over de afvoerpijp van de toiletten hing.   

Het Westerse denken is zeer beinvloed door de filosoof Rene Descartes en misschien nog wel het meest door zijn dualisme van lichaam en geest, zijn opvatting dat de geest (res cognitans) gescheiden is van het lichaam (res extensa). Daar komt bij dat de uitgebreidheid (res extensa) van het lichaam begrensd wordt door de huid. Zelfs wie zich nog nooit in filosofie heeft verdiept zal dit als een bekend en misschien zelfs kloppend idee overkomen. Maar toen ik deze uitleg een keer tijdens een verblijf in Japan gaf, verbaasden mijn toehoorders zich over zoveel Muri. In het Oosterse denken vormen lichaam en geest een natuurlijk geheel en het lichaam wordt geenszins begrensd door de huid.

Op een kruispunt in het centrum van de stad stond voor het zebrapad een jongedame te wachten op het voorbij razende verkeer op het juiste moment om over te steken. Ze stond er veilig op de stoep en leek goed op het verkeer te letten. Waar ze minder oog voor leek te hebben was haar buggy met daarin haar baby. De buggy had ze voor zich en deze stond al met vier wielen op de weg. In de drukte zag menige automobilist de buggy pas op het laatste moment.
Het is een goed voorbeeld van Muri – de moeder had haar eigen lichaam, haar kind en zelfs de buggy moeten ervaren als een geheel. Nu leek het, in overeenstemming met Cartesiaanse opvattingen, alsof moeder, kind en baby afzonderlijke entiteiten waren.    

Soms lijkt iets logisch maar is het bij nader inzien toch echt Muri. Op jonge leeftijd werkte ik in een tuincentrum. Het was rond deze tijd van het jaar toen ik enkele bezoekers advies gaf over tulpen. Een dame klaagde dat ze al vaker tulpen in deze winkel had gekocht maar dat ze nooit wat deden. In veel gevallen komt dit doordat de tulpen te diep geplant zijn of dat de grond veel te nat bleef, dus ik vroeg haar naar hoe ze de tulpen had geplant. Verontwaardigd antwoordde ze: “Zoals het hoort natuurlijk! Met de punt naar beneden!”

In Amsterdam reisde ik nog al eens met de metro – als ik dan de roltrap naar boven nam gebeurde het nog wel eens dat daar een groepje mensen zich voor de roltrap had verzameld, dat druk doende was elkaar te begroeten en met elkaar gesprekken begonnen. Dat steeds meer mensen onwillekeurig op hen botsten leek nauwelijks indruk te maken.
Iets soortgelijks overkomt me vrijwel iedere keer als ik met de trein reis. Zodra ik op mijn plaats van bestemming ben en uit wil stappen staat er een menigte mensen op het perron die mijn trein in wil. Het is nu dringen en duwen om er doorheen te komen terwijl onbekenden me op mijn tenen stappen en ik op moet passen om mijn tas of koffer niet te verliezen. Vanwaar toch dit ongeduld? De trein vertrekt nog lang niet en het is logischer te wachten tot iedereen er uit is voor dat je probeert in te stappen.
Nieuwer voor mij is de manier waarop met name Nederlandse studenten hun fiets dagelijks voor de ingang van de supermarkt parkeren (het overkwam me deze zomer ook een keer bij de lokale supermarkt hier, het ging om jongeren uit de stad die een dagje door de bergen toerden). Ze worden zelfs niet netjes neergezet, maar liggen door elkaar en op elkaar als afval voor de schuifdeuren. Er is geen doorkomen aan. Al helemaal niet door mensen met een handicap. En er is geen personeelslid van de supermarkt die er iets van zegt.

Hier doet zich een ander probleem voor. Een probleem dat ik ook al eens in mijn lessen over Ri en Muri was tegen gekomen. En dat is een weerzin die sommige mensen lijken te koesteren tegen het idee dat de natuur een bepalende invloed heeft in hun doen en laten.  Ze willen niets weten van een natuurlijk principe of van een natuurlijke volgorde der dingen. Ze willen nu de trein in, ze willen nu hun fiets kwijt, ze bepalen zelf wel waar ze gaan staan of waar ze hun fiets neergooien, ze maken zelf wel uit hoe ze hun gereedschap gebruiken. En men leeft in de veronderstelling dat dit vrijheid is. Ook dat is een vorm van Muri.


Tom verhoeven
Auvergne, herfst 2011